+

Voor hen die ziek zijn

Blog

Door Linda Bruinslot

De moed is helaas thuis gebleven. Als twee kleuters staan ze in de hal van het huis van bewaring te wachten tot ze toestemming krijgen om naar binnen te mogen. Dat duurt lang. En ondertussen kijken de bewoners en bewakers hen afwachtend aan.
Rutger en Athalja mogen zingen in de gevangenis. Als Paulus zeg maar. Maar dan zonder ketenen, en zeker wetend dat ze er ook weer uit mogen na een uur. Maar toch. De grote brede kerels zijn nogal overweldigend. Wie had eigenlijk bedacht dat zij, twee jonge, christelijke, getrouwde ouders, in dit gebouw vol veroordeelde misdadigers een paar liedjes moeten zingen over de liefde van God? Oh ja, God zelf. Hij gaf hen gaven en een missie, en het past hen als een jas. Maar opeens is het even een grote berg geworden.
Athalja duikt de wc in, weg van de blikken, op zoek naar inspiratie. Ze legt haar schapenvachtje meerdere keren neer, om zeker te weten dat God erbij is. Die is zo lief om elke keer weer geduldig te antwoorden. Jaha, Hij is er bij. Echt? Ja echt. Echt echt? Ja, echt, ik ben erbij. Nog steeds met knikkende knieën stapt ze even later het podium op.
Maar dan gaan ze los. Los van angst, bleuheid en twijfel. Ze gaan weer doen waar ze goed in zijn, op hun eigen stoere manier. En de God die erbij is krijgt eindelijk ruimte om door hen heen Zijn ding te doen. En dan gaan oren en harten open. Zingen sommigen zelfs de woorden mee. Mannen die geen hoop hebben, vooral vastzitten in hun eigen denken en patronen. Mannen die denken niets waard te zijn door alles wat ze verkeerd hebben gedaan. Mannen die niet weten hoe ze echtgenoot of vader moeten zijn. Mannen die bezig zijn met overleven, foute vrienden ontlopen en troep uit hun lijf te houden. Mannen die hier keer op keer in falen door gebrek aan hoop. Die ´buiten´ niet naar de kerk gaan omdat dat niet voor hen is.
Heftige verhalen. Uitzichtloos, zo lijkt het. Maar dit niet voor de twee jonge, christelijke muzikanten. Zij gaan niet mee met die leugens, maar pakken de grote kerels hard aan met de waarheid die juist hén kan vrijmaken. ´Jezus kwam voor mensen die een dokter nodig hebben, voor mij en voor jou!´ zegt Athalja recht in het gezicht van een man die wellicht Jezus vooral als scheldwoord kent. Wat een dapper wijf, moet hij hebben gedacht. Geen watje, die gelovige vrouw, maar een stoere dame die weet dat Jezus van haar maar ook van hem houdt. Een vrouw die niet bang is voor een crimineel, maar ziet wie hij echt is.
De mannen horen het glimlachend aan. Durven het misschien niet te geloven. Kunnen er nog zo weinig mee. En na een uur wordt hen bevolen naar hun cel te gaan. De rest van de dag alleen met zichzelf, hun donkere verleden en toekomst, omringd door hoge muren.
Als ergens hoop gebracht moet worden, is het wel in deze cellen. Bij mannen die niet slechter zijn dan Rutger en Athalja. Maar die de ware liefde nog niet kennen.

Wie durft?